hars

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
α-pineen
Hars van een pijnboom

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hars
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘kleverige stof uit naaldbomen’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1]
  • Van Middelnederlands hars, harse, harst. Buiten Middelhoogduits en Oudsaksisch zijn er geen verwante woorden bekend. Het woord is mogelijk een substraatwoord.
enkelvoud meervoud
naamwoord hars harsen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

hars m en o

  1. (plantkunde) het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
  2. (scheikunde) een klasse van polymerisatieproducten van terpenen, met name α- en β-pineen, zoals aanwezig in [1]
  3. (scheikunde) een klasse van kunstmatige polymeren met vergelijkbare eigenschappen als [2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen