harpoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • har·poen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘geweerhaakt werptuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord harpoen harpoenen
verkleinwoord harpoentje harpoentjes

Zelfstandig naamwoord

harpoen m

  1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
    • In de walvisvangst wordt gebruik gemaakt van harpoenen. 
  2. een speer met weerhaken
    • Er zijn harpoenen bekent uit prehistorisch Europa. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen