ontharen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·ha·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van haar met het voorvoegsel ont-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontharen
onthaarde
onthaard
zwak -d volledig

Werkwoord

ontharen

  1. overgankelijk beharing verwijderen
    • Ze was bezig haar benen te ontharen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie