happig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hap·pig
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van hap met het achtervoegsel -ig [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen happig happiger happigst
verbogen happige happigere happigste
partitief happigs happigers -

Bijvoeglijk naamwoord

happig

  1. gretig, begerig, enthousiast
    • Hij was niet de meest happige kandidaat om de nieuwe baan te krijgen. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl