grilligheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gril·lig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord grilligheid grilligheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

grilligheid v [1]

  1. het onberekenbaar en wispelturig zijn
     Hij zei het met een scheve knik van het hoofd, niet van harte, alsof hij de gast diens grilligheid verweet.[2]
     Maar hier en daar gloort ook een sprankje hoop. De Nederlander Jeroen Ketting is niet voor één gat te vangen. Hij woont en onderneemt al 26 jaar in Rusland en kent de grilligheid van de Russische economie. Hij is oprichter en mede-eigenaar van Lighthouse Technology, dat westerse apparatuur importeert en verkoopt aan Russische productiebedrijven.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. A.F.Th. van der Heijden op Wikipedia “Advocaat van de Hanen” (1990), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789023479925
  3. Bronlink geraadpleegd op 2 maart 2022 Weblink bron David Jan Godfroid “Ondanks drievoudige crisis blijven Russen veerkrachtig” (17-05-2020), NOS