nukkigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nuk·kig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nukkigheid nukkigheden
verkleinwoord nukkigheidje nukkigheidjes

Zelfstandig naamwoord

nukkigheid v

  1. het grillig en chagrijnig zijn
     Mary wilde zo graag het vergrootglas zelf gebruiken dat ze haar nukkigheid liet varen en naast lord Henley bleef rondhangen.[1]
     Andere Tijden Sport verhaalt over zijn onzekerheid, zijn nukkigheid, over zijn botsingen met coach Rinus Michels en over zijn haat-liefdeverhouding met Johan Cruijff.[2]
  2. iets wat past bij een grillige en chagrijnige stemming
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Tracy Chevalier “Opmerkelijke Schepsels” (2009), Orlando, ISBN 978949208651-8
  2. Bronlink geraadpleegd op 11 januari 2022 Weblink bron “De sport van zondag bij de NOS” (04-08-2019), NOS