gracieus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gra·ci·eus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bevallig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gracieus gracieuzer gracieust
verbogen gracieuze gracieuzere gracieuste
partitief gracieus gracieuzers -

Bijvoeglijk naamwoord

gracieus

  1. sierlijk, elegant, bekoorlijk
    • De mannequin werd direct herkend aan haar gracieuze manier van lopen. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen