glimlachen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glim·la·chen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
glimlachen
glimlachte
geglimlacht
zwak -t volledig

Werkwoord

glimlachen

  1. inergatief zacht onhoorbaar lachen
     ‘Sorry honey, kitchen opens at 11:00. Want some breakfast?’ glimlachte ze op die typisch Amerikaanse manier alsof er niks aan de hand was. Maar er was natuurlijk heel veel aan de hand.[1]
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

glimlachen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord glimlach

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be