Naar inhoud springen

glimlachen

Uit WikiWoordenboek
  • glim·la·chen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
glimlachen
glimlachte
geglimlacht
zwak -t volledig

glimlachen

  1. inergatief zacht onhoorbaar lachen
     'En hoe was het bij de nonnen? Maken ze heilige chocolade?' We glimlachen op een vertrouwde manier en ik weet dat dit een introductievraag is, een warmmaker voor de echte vragen, over vanochtend, over de politie en over Emil.[1]
     ‘Sorry honey, kitchen opens at 11:00. Want some breakfast?’ glimlachte ze op die typisch Amerikaanse manier alsof er niks aan de hand was. Maar er was natuurlijk heel veel aan de hand.[2]

deglimlachenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord glimlach
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]
  1. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be