glimlachen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glim·la·chen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
glimlachen
glimlachte
geglimlacht
zwak -t volledig

Werkwoord

glimlachen

  1. inergatief zacht onhoorbaar lachen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

glimlachen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord glimlach

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.