glimlach

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glim·lach
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘onhoorbare lach’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1765 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord glimlach glimlachen
verkleinwoord glimlachje glimlachjes

Zelfstandig naamwoord

glimlach m

  1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
glimlachen

glimlach

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glimlachen
    • Ik glimlach. 
  2. gebiedende wijs van glimlachen
    • Glimlach! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glimlachen
    • Glimlach je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen