gezag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezag -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gezag o

  1. bevoegdheid om ergens beslissingen over te nemen
    Hij heeft niet voldoende gezag om dat voorstel aan te nemen.
  2. aanzien
    Het gezag van een voetbaltrainer is vaak bepalend voor zijn succes.
  3. de overheid
    "Criminelen ondermijnen gezag in 34 gemeenten" [2]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. www.nu.nl

Meer informatie