gewoonheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·woon·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gewoonheid gewoonheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gewoonheid v [1]

  1. iets dat heel normaal is
     Saaiheid is zijn handelsmerk. Af en toe slaat de balans door en wordt zijn gewoonheid haast ondragelijk. Misschien wel daarom heeft een goede vriend van Hollande een boekje geschreven over die andere François. Want die bestaat. Het blijkt een man die met een glas bier in de hand midden in de de kroeg kwinkslagen verkoopt en moppen tapt.[2]
     Op Prinsjesdag krijgt de sacrale kant van de koning ruimte en op Koningsdag wordt "de gewoonheid" van de koning en de "geringe afstand tussen vorst en onderdaan" geaccentueerd. Maar in allebei de gevallen moet je een beetje door de 'kleren van de koning' heen kijken.[3]
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 22 november 2021 Weblink bron “De grappen van Hollande” (27-02-2012), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 22 november 2021 Weblink bron Piet van Asseldonk “Prinsjesdag zou beter Parlementsdag kunnen heten” (15-09-2018), NOS