gebabbel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

gebabbel van drie oude heertjes
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bab·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gebabbel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gebabbel o [1]

  1. het praten over onbeduidende onderwerpen
    • Het gezellige gebabbel van de kinderen op de achtergrond was zeer rustgevend. 
  2. ongunstig over iemand praten
    • Het gebabbel over de buurvrouw die bij haar man was weggelopen was na enkele dagen weer voorbij, al snel had men weer een nieuw onderwerp om over te roddelen.  
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal