gelukzoeker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

model van een boot waarmee Duitse gelukzoekers naar de VS gingen voor en na de Eerste Wereldoorlog
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·luk·zoe·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gelukzoeker gelukzoekers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gelukzoeker m [1]

  1. iemand die naar een ander land of streek trekt om daar een nieuw (beter en gelukkiger) leven op te bouwen, maar geen vluchteling is
    • Zelfs hun linkse collega’s ondersteunen het idee dat er een onderscheid tussen ‘politieke vluchtelingen’ en ‘gelukzoekers’ gemaakt moet worden, en dat de laatste hier niets te zoeken hebben.[2] 
    • Lieve Nederlandse lezers, ik ben geen gelukzoeker. Soms wil ik niet eens gelukkig worden. Survivor's guilt, noemen ze dat. De schaamte en het schuldgevoel waardoor je overvallen wordt omdat jij nog leeft en de anderen niet. Omdat jij een huisje in Haarlem hebt, en je familie vreest voor bombardementen. Dat gevoel onderscheidt ons van economische migranten. Oorlogsvluchtelingen hebben last van diepe heimwee, soms willen ze zelfs dood.[3] 
    • China is een magneet voor starters. Ook Nederlandse gelukzoekers wagen zich hieraan. Het grootste probleem? „Traag internet.”[4] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 5 DECEMBER 2017
  3. Volkskrant Linda Bilal 27 mei 2017,
  4. NRC Oscar Garschagen 28 februari 2015