migrant

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mi·grant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord migrant migranten
verkleinwoord migrantje migrantjes

Zelfstandig naamwoord

migrant m

  1. iemand die migreert, een landverhuizer
  2. buitenlandse werknemer
    migrant bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Engels

Zelfstandig naamwoord

migrant

  1. allochtoon m