asielzoeker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • asiel·zoe·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord asielzoeker asielzoekers
verkleinwoord asielzoekertje asielzoekertjes

Zelfstandig naamwoord

asielzoeker m

  1. iemand die asiel zoekt buiten zijn eigen land
    • Nederland moet soms asielzoekers weigeren. 
    • Asielzoekers kunnen zich beroepen op het vluchtelingenverdrag van 1951. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie