gegoochel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·goo·chel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gegoochel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gegoochel o [1]

  1. het voortdurend mensen vermaken met 'tovertrucjes'
    • "Die theatershow, met optredens in Overijssel en Gelderland, heeft ons vertrouwen gegeven dat we op eigen benen kunnen staan", zegt Joost, de 'grappengenerator' van het tweemanschap. Waar Joost de ene na de andere mop aangeeft, is tegenpool Martijn het klankbord en de man van de gortdroge antwoorden. Snelle dialogen, korte zinnetjes en gegoochel met woorden zijn kenmerkend voor de Finkeriaanse humor van Achterhoekse bodem. [2] 
  2. het voordurend mensen voorliegen door het manipuleren van informatie
    • Flokstra en De Vries hielden gemengde gevoelens: "Dat het OM het recht op vervolging heeft verspeeld, is de enige passende uitspraak. Mede door het gegoochel met handtekeningen van agenten kreeg het een hoog Wie van de drie-gehalte. Dat is desastreus als waarheidsvinding het uitgangspunt is." [3] 
    • Nu is 1948 in de Joodse jaartelling het jaar 5708. En of je nu in God en aan de Bijbel gelooft of niet, het kan geen toeval zijn dat het Bijbelvers Deuteronomium 30:5, het vers met deze belofte, het vers dat duizenden jaren vóór het jaar 1948/5708 is opgeschreven, het 5708e vers van de Bijbel is. Hier is geen sprake van gegoochel met cijfers, maar dit zijn twee duidelijke feiten: Deuteronomium 30:5 is het 5708e vers van de Hebreeuwse Bijbel én 1948 is in de Joodse jaartelling het jaar 5708. [4] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen