friste

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fris·te

Bijvoeglijk naamwoord

friste

  1. verbogen vorm van de overtreffende trap van fris


Gangbaarheid


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • fris·te
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afgeleid van het Oudnoorse werkwoord freista.
  • [B] Afgeleid van het Oudnoorse werkwoord fresta.
vervoeging
onbepaalde wijs friste
tegenwoordige tijd frister
verleden tijd fristet
frista
voltooid
deelwoord
fristet
frista
onvoltooid
deelwoord
fristende
lijdende vorm fristes
gebiedende wijs frist
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking [A] + [B]

Werkwoord

[A] friste

  1. onovergankelijk verleiden
    «Vår intime vinkjeller kan friste med god mat og vin for inntil 6 personer.»
    Onze intieme wijnkelder voor maximaal 6 personen kan je verleiden met goed eten en wijn.
  2. onovergankelijk beproeven, uitdagen, verzoeken (b.v. het geluk)
  3. onovergankelijk (religie) verzoeken (b.v. God)

Jezus werd verzocht in de woestijn.#:*Jesus ble fristet i ørkenen. 

Schrijfwijzen
Verwante begrippen

Werkwoord

[B] friste

  1. onovergankelijk leiden, slijten
    «De fristet en kummerlig tilværelse.»
    Ze leidden een miserabel bestaan.