slijten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
slijten slijtend
slijtage gesleten
slijter sleets
Uitspraak
Woordafbreking
  • slij·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘door wrijving doen afnemen’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
slijten
sleet
gesleten
klasse 1 volledig

Werkwoord

slijten

  1. ergatief door het gebruik massa verliezen tot het stukgaat
  2. overgankelijk iets aan iemand ~: verkopen, met name van alcohol
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen