fnuikend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fnui·kend

Werkwoord

vervoeging van
fnuiken

fnuikend

  1. onvoltooid deelwoord van fnuiken
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fnuikend fnuikender fnuikendst
verbogen fnuikende fnuikendere fnuikendste
partitief fnuikends fnuikenders -

Bijvoeglijk naamwoord

fnuikend

  1. zeer schadelijk
    • Inger Minnesma, bestuurder van kunstenvakbond FNV Kiem, wil best verder meedenken, maar verwacht daar niet al te veel van. 'Het wordt heel moeilijk om dat besluit nog tegen te houden. Maar we waren er niet aan begonnen als we er niet heilig van overtuigd waren dat dit een domme, averechtse en fnuikende maatregel was. En dus we blijven die afschaffing bevechten zolang als dat kan.' [1] 
    • Volgens een psychiater heeft de zakenman, die vóór het geweld goed in zijn vel zat, een psychologisch trauma opgelopen. De aanhoudende, hevige media-aandacht heeft daar een fnuikende uitwerking op gehad, omdat Everink telkens opnieuw met de gebeurtenissen wordt geconfronteerd. [2] 
    • 'Al die partijen verkopen hun moeder nog voor de macht', aldus Wilders. 'Een stem op het CDA en op D66 is gewoon een stem op twee jaar doorgaan met het fnuikende beleid van Rutte.' [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen