fnuiken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fnui·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘beknotten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1613 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fnuiken
fnuikte
gefnuikt
zwak -t volledig

Werkwoord

fnuiken

  1. overgankelijk verminderen, saboteren
    • Nu was hij de laatste tijd juist minder monter dan gewoonlijk. Door het vooruitzicht van een wapenstilstand was hij zichtbaar in de put geraakt, was zijn patriottische bezieling gefnuikt. Luitenant Pradelle ging kapot aan het idee dat er een eind aan de oorlog kwam.[2] 
  2. overgankelijk in de kiem smoren

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Verwijzingen