fluweel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flu·weel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fluweel fluwelen
verkleinwoord fluweeltje fluweeltjes

Zelfstandig naamwoord

fluweel o

  1. (kleding) een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde of katoen met de kettingdraden zijn meegeweven en zijn afgesneden
    Het werd opgeborgen in een kistje gevoerd met fluweel.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl