fluweel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flu·weel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fluweel fluwelen
verkleinwoord fluweeltje fluweeltjes

Zelfstandig naamwoord

fluweel o

  1. (kleding) een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde of katoen met de kettingdraden zijn meegeweven en zijn afgesneden
    • Het werd opgeborgen in een kistje gevoerd met fluweel. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen