ferment

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1. Een potje ferment voor het bakken van brood.


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fer·ment
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ferment fermenten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ferment o

  1. (biologie) stof waarin gistcellen zitten, zodat contact met die stof gisting kan veroorzaken
    • Maar graan gist niet vanzelf. Het moet eerst ontkiemen, waarbij het zetmeel wordt omgezet in vergistbare suiker, en dan moeten er fermenten aan worden toegevoegd. Naar alle waarschijnlijkheid is dat oudste ferment gevonden in menselijk speeksel. (…) Bier zal ook wel bij toeval ontdekt zijn doordat iemand spuwde in een brij van uitgelopen graankorrels, waardoor deze ging gisten. [4]
  2. (figuurlijk) aanzet die op zichzelf niet zo sterk is, maar een zichzelf versterkende ontwikkeling op gang brengt
    • Door de positieve kracht van de levensaanvaarding die van haar literair werk uitgaat, heeft Jet Jorssen onbetwistbaar een kostbaar ferment aan het bouwwerk van een betere wereld toegevoegd. [5]
  3. (scheikunde) (verouderd) stof die het verloop van een chemische reactie bevordert zonder daar zelf aan deel te nemen
    • In de mondholte wordt het voedsel buitendien nog met speeksel vermengd, een vocht, dat door drie ter weerszijden van de mondholte gelegen klieren afgescheiden wordt. Het bevat een ferment, dat zetmeel omzet in druivensuiker. [6]
Synoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  ferment     le ferment     ferments     les ferments  

Zelfstandig naamwoord

ferment m

  1. ferment
Overerving en ontlening

Werkwoord

vervoeging van
fermer

ferment

  1. derde persoon meervoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van fermer
  2. derde persoon meervoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van fermer