feast

Uit WikiWoordenboek

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
feast feasts

Zelfstandig naamwoord

feast

  1. (voeding) banket [1], feestmaal
  2. feestdag, festival (m.n. kerkelijk)
    «The feast of Easter.»
    Het Paasfeest.
  3. (figuurlijk) feest, iets wat veel genoegen geeft
vervoeging
onbepaalde wijs to  feast 
he/she/it  feasts 
verleden tijd  feasted 
voltooid
deelwoord
 feasted 
onvoltooid
deelwoord
 feasting 
gebiedende wijs  feast 

Werkwoord

feast

  1. onovergankelijk smullen
  2. onovergankelijk (figuurlijk) genieten
  3. onovergankelijk feestvieren
  4. overgankelijk onthalen
Typische woordcombinaties
  • [1] feast on

Gangbaarheid

100 % van de Amerikanen;
100 % van de Britten.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 30 september 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Measures of word prevalence for 61,800 English words” op ugent.be