festival

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fes·ti·val
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord festival festivals
verkleinwoord festivalletje festivalletjes

Zelfstandig naamwoord

festival o

  1. een reeks optredens
  2. (feest) een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
    • In Nederland worden jaarlijks enkele grote festival gehouden. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Zweeds

Uitspraak
Naar frequentie 17506
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   festival     festivalen     festivaler     festivalerna  
genitief   festivals     festivalens     festivalers     festivalernas  

Zelfstandig naamwoord

festival, g

  1. (feest) festival
    «Festivalen fortsätter i dag och avslutas i morgon.»
    Het festival gaat vandaag verder en eindigt morgen.
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Meer informatie