festival

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fes·ti·val
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘groot (muziek)feest’ voor het eerst aangetroffen in 1872 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord festival festivals
verkleinwoord festivalletje festivalletjes

Zelfstandig naamwoord

festival o

  1. een reeks optredens
  2. (feest) een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
    • In Nederland worden jaarlijks enkele grote festival gehouden. 
    • Het werd de spannendste Eurovisie-ontknoping in vele jaren. Maar de uitkomst was die waar Nederland na 44 jaar naar smachtte: Duncan Laurence is winnaar van het Songfestival. Bijna een halve eeuw na de zege van Teach-in komt het festival volgend jaar weer naar Nederland. [3] 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Drents

Zelfstandig naamwoord

festival

  1. festival
Verwante begrippen


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

festival

  1. festival
Afgeleide begrippen


Zweeds

Uitspraak
Naar frequentie 17506
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   festival     festivalen     festivaler     festivalerna  
genitief   festivals     festivalens     festivalers     festivalernas  

Zelfstandig naamwoord

festival, g

  1. (feest) festival
    «Festivalen fortsätter i dag och avslutas i morgon.»
    Het festival gaat vandaag verder en eindigt morgen.
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Meer informatie