fatum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·tum
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord fatum fata
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

fatum o [2]

  1. het lot dat een mens treft en waarop geen invloed is uit te oefenen
    • In klaarwakkere toestand lijken we, zij het met zelfvernietigende weerzin, de harde feiten te accepteren die duiden op de onomkeerbaarheid van Tonio's lot, en het heeft er alle schijn van dat we daarmee ons eigen fatum omhelzen. Maar in de diepte van ons hart heerst het dierlijke ongeloof dat hij voor eeuwig uit ons leven is verdwenen. [3] 
    • Han van Ruler laat zien hoe in het christendom de nadruk verschoof van het verstandelijke inzicht naar de vrije keuze, van onwetendheid naar onwil. De mens onttrekt zich door zijn vrije wil aan het fatum (noodlot), maar het christendom, met name in het denken van Augustinus, legde paradoxaal genoeg de vrijheid van de wil op allerlei manieren aan banden. De mens is niet langer een potentiële held, zoals de Griekse oudheid beweert, maar een reële zondaar. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

32 % van de Nederlanders;
51 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. fatum op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Heijden, A.F.TH. van der "Tonio" 2011 ISBN 9789023459545 pagina 574
  4. Reformatorisch Dagblad Klaas van der Zwaag 12-03-2011 Vrije wil ter discussie