fasciste

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fas·cis·te

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van fascist met het achtervoegsel -e
enkelvoud meervoud
naamwoord fasciste fascistes
verkleinwoord fascistetje fascistetjes

Zelfstandig naamwoord

fasciste v

  1. vrouwelijke vorm van fascist


Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

fasciste mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord fascist
    «Die fasciste het in 1922 in Italië aan die bewind gekom.»
    De fascisten zijn in 1922 in Italië aan de macht gekomen.[1]

Verwijzingen

  1. Kotzé, D.J. (1970). Nasionalisme: Geskiedenis en Pan-Nasionalistiese Bewegings, p. 165. Uitg.: Tafelberg-Uitgewers.


Frans

Uitspraak
  • IPA: /fa.ʃist/
  enkelvoud meervoud
  mannelijk  /
  vrouwelijk  
fasciste fascistes

Bijvoeglijk naamwoord

fasciste

  1. fascistisch
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  fasciste     le/la fasciste     fascistes     les fascistes  

Zelfstandig naamwoord

fasciste v/m

  1. fascist


Italiaans

Zelfstandig naamwoord

fasciste v

  1. vrouwelijke meervoudsvorm van fascista