farizeeër

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·ri·zee·er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord farizeeër farizeeërs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

farizeeër v/m

  1. (religie) lid van een bepaalde joodse secte in de tijd van Jezus
  2. (figuurlijk) iemand die doet alsof hij heel gelovig of fatsoenlijk is terwijl hij zich verwerpelijk gedraagt
Schrijfwijzen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Opmerkingen
  • De farizeeërs vormden een religieuze en politieke joodse groepering van de 2de eeuw v.C. tot de 1ste eeuw n.C., waaruit het latere rabbijnse jodendom is voortgekomen, in een aantal opzichten staand tegenover de sadduceeën.
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen