fanatiekeling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·na·tie·ke·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fanatiekeling fanatiekelingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

fanatiekeling m

  1. iemand die te enthousiast voor iets is
    • In 1999 werd Feyenoord voor het laatst kampioen. Direct na de huldiging braken rellen uit. De politie zag stenen, flessen en fanatiekelingen op zich af komen en loste schoten op een overvolle Coolsingel. Ruiten sneuvelden, mensen raakten gewond. „Shooting at soccer riot”, berichtte The New York Times.[2] 
    • Drie keer scoorde Cristiano Ronaldo, de alleskunner uit Portugal, de bijna bezeten fanatiekeling, het fenomeen, de man die niets liever wil dan de beste zijn in het beroep waarvoor hij alles doet en laat: profvoetballer zijn. Zijn kunstwerk: een intikker, een kopbal, een vrije trap. Ronaldo mocht zich gelukkig prijzen met erbarmelijk verdedigen van Wolfsburg, maar al die doelpunten zijn toch vooral het gevolg van zijn eigen verdiensten, zijn nooit aflatende werklust, zijn gecultiveerde talent. [3]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. fanatiekeling op website: Etymologiebank.nl
  2. NRC Esther Rosenberg 15 mei 2017
  3. Volkskrant Willem Vissers 12 april 2016