fagottist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·got·tist
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van fagot met het achtervoegsel -ist
enkelvoud meervoud
naamwoord fagottist fagottisten
verkleinwoord fagottistje fagottistjes

Zelfstandig naamwoord

fagottist m

  1. (beroep) (muziek) iemand die de fagot bespeelt
    • De woedende fagottist gooide zijn blaasinstrument op de grond. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie