externe

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ex·ter·ne
Woordherkomst en -opbouw
  • De gesubstantiveerde vorm van extern.
enkelvoud meervoud
naamwoord externe externen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

externe v/m

  1. iemand die ingehuurd is van een ander bedrijf
    • Toen het slecht ging met het bedrijf werden eerst de externen weggestuurd. 

Bijvoeglijk naamwoord

externe

  1. verbogen vorm van de stellende trap van extern

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.


Frans

Uitspraak
  • IPA: /ɛkˈstɛʁn/
Woordafbreking
  • ex·ter·ne
Woordherkomst en -opbouw
  enkelvoud meervoud
  mannelijk  /
  vrouwelijk  
externe externes

Bijvoeglijk naamwoord

externe

  1. (medisch) extern, uitwendig.
    «Les causes externes des maladies.»
    De uitwendige oorzaken van de ziekten.
    «Ce médicament est fait uniquement pour l’usage externe
    Dit geneesmiddel is uitsluitend gemaakt voor uitwendig gebruik.
  2. (anatomie) extern, uitwendig.
    «La face externe de l’omoplate.»
    De uitwendige zijde van het schouderblad.
    «L’extrémité externe de la clavicule.»
    Het uitwendige uiteinde van het sleutelbeen.
  3. van buitenaf, extern.
    «Pendant une randonnée dans la nature, les sensations externes sont nombreuses.»
    Tijdens een natuurwandeling zijn de uitwendige gewaarwordingen talrijk.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  externe     l'externe     externes     les externes  

Zelfstandig naamwoord

externe m

  1. externe leerling.
    «On ne reçoit dans ce collège que des externes
    In die school neemt men alleen externe leerlingen aan.
  2. geneeskundestudent die al enkele functies vervult in een ziekenhuis.
Synoniemen
Antoniemen