interne

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ter·ne

Bijvoeglijk naamwoord

interne

  1. verbogen vorm van de stellende trap van intern

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
internar

interne

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van internar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van internar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van internar