duren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tijd in beslag nemen, voortduren’ voor het eerst aangetroffen in 1220 [1]
  • afgeleid van het Franse durer [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
duren
/'dyːrə(n)/
duurde
/'dyːrdə/
geduurd
/ɣə'dyːrt/
zwak -d volledig

Werkwoord

duren

  1. absoluut een bepaalde tijd in beslag nemen
    • De kerkdienst duurde vrij lang deze zondag. 
     In Nederland duurde die oorlog van het jaar 1940 tot 1945. Nederland was bezet door Duitsland. De Duitsers waren de baas over Nederland. Het was een heel moeilijke tijd. Er vielen veel doden. Ieder jaar worden de slachtoffers van de oorlog herdacht op 4 mei. En ieder jaar wordt op 5 mei gevierd dat Nederland een vrij land is.[4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Nedersaksisch

Werkwoord

duren

  1. duren; een bepaalde tijd in beslag nemen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
durar

duren

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van durar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van durar


Veluws

Werkwoord

duren

  1. duren; een bepaalde tijd in beslag nemen