duurloop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Feyenoord doet een duurloop
Uitspraak
Woordafbreking
  • duur·loop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord duurloop duurlopen
verkleinwoord duurloopje duurloopjes

Zelfstandig naamwoord

duurloop m

  1. een loop over een grote afstand als training om het uithoudingsvermogen te verbeteren
    • Philips werkte veel in het buitenland, hij begon bij het nationale team van Zuid-Korea met Hiddink in aanloop naar het WK van 2002. „Qua werkethiek waren de Zuid-Koreanen zo gedreven, bijna soldaten.” Hij werkte ook in Duitsland bij Schalke 04. „Daar zie je dat er een andere werkethiek is. Gaat een speler na een tweede training bij wijze van spreken ook nog even uitlopen, een intensieve duurloop van 45 minuten. Dat is anders dan hier. In Nederland streven we te weinig na om het maximale uit iemand te halen.”[1] 
    • De mens is een rennende aap - goed dat Filosofie Magazine bestaat. De kop staat boven een bespreking van Filosofie van de duurloop, een boek van Mark Rowland. Zonder aanleg begon hij op zijn 48ste aan zijn eerste marathon. Natuurlijk moest daarover geschreven worden: Rowland is filosoof. En loper. Dat schept een band: ook ik ben een loper. Niet van nature, wel sinds ik 22 jaar geleden verbijsterd vaststelde dat ik per dag niet meer vooruitkwam dan een paar honderd meter. De stappen van huis naar de tram, naar het treinstation, op het werk vijfmaal naar het toilet (toch een metertje of 20).[2]  

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Bart HinkeSteven Verseput 1 april 2017
  2. Volkskrant Jean-Pierre Geelen 22 december 2016,