schoteldoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scho·tel·doek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schoteldoek schoteldoeken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

schoteldoek m

  1. (huishouden) vaatdoek

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie