dreiging

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drei·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dreiging dreigingen
verkleinwoord dreiginkje dreiginkjes

Zelfstandig naamwoord

dreiging v

  1. een vervelende gebeurtenis die in het vooruitzicht is gesteld
    • De dreiging van opsluiting werd de inbreker teveel en hij stopte ermee. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.