doopvont

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een doopvont (uit de 13de eeuw).

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doop·vont
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doopvont doopvonten
verkleinwoord doopvontje doopvontjes

Zelfstandig naamwoord

doopvont v/m en o

  1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
    • Het doopvont wordt gebruikt bij de bediening van het sacrament van de Heilige Doop.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen