preek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • preek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord preek preken
verkleinwoord preekje preekjes

Zelfstandig naamwoord

preek v/m

  1. een stichtelijk betoog door een geestelijke in een kerkdienst
  2. overdrachtelijk: een vermanende toespraak
    • Mijn moeder wil niet dat ik met hem omga en dus kreeg ik weer een hele preek. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
preken

preek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van preken
    • Ik preek. 
  2. gebiedende wijs van preken
    • Preek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van preken
    • Preek je? 

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl