dissident

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dis·si·dent
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dissident dissidenten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dissident m [2]

  1. (politiek) (religie) andersdenkende binnen dezelfde partij of dezelfde godsdienst
    Er was één dissident binnen de coalitie: PvdA’er Jacques Monasch. Hij kondigde dinsdag zoals verwacht aan met de oppositie mee te zullen stemmen. „Europa gaat te snel”, verkondigde het Kamerlid voor een haag aan televisiecamera’s. En daarmee was het kabinet de minimale meerderheid van 76 zetels kwijt.[3]
  2. afvallige, ketter
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dissident dissidenter dissidentst
verbogen dissidente dissidentere dissidentste
partitief dissidents dissidenters -

Bijvoeglijk naamwoord

dissident m [4]

  1. (politiek) (religie) andersdenkend binnen dezelfde politieke partij of binnen dezelfde godsdienst
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. NRC Thijs Niemantsverdriet 20 april 2016
  4. Woordenboek der Nederlandse taal