ketter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ket·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘die afwijkt van de geloofsleer’ voor het eerst aangetroffen in 1276 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ketter ketters
verkleinwoord kettertje kettertjes

Zelfstandig naamwoord

ketter m

  1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
    • De ketters werden op het marktplein levend verbrand. 
  2. aanhanger van een leerstelling, die in tegenspraak is met datgene wat een bepaalde geloofsgemeenschap beschouwt als de fundamentele geloofsleer
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ketteren

ketter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ketteren
    • Ik ketter. 
  2. gebiedende wijs van ketteren
    • Ketter! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ketteren
    • Ketter je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen