Naar inhoud springen

cosinus

Uit WikiWoordenboek
cos B = aanliggende zijde / hypotenusa ofwel c / a
  • co·si·nus
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘sinus van het complement van een hoek’ voor het eerst aangetroffen in 1777 [1]
  • samenstelling van co (afkorting van complement) en sinus [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord cosinus cosinussen
verkleinwoord - -

decosinusm

  1. (meetkunde) sinus van het complement van een hoek
     De cosinus van α is de verhouding tussen aanliggende en schuine zijde.[3]
82 %van de Nederlanders;
90 %van de Vlamingen.[4]


enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  cosinus     le cosinus     cosinus     les cosinus  

cosinus m

  1. (meetkunde) cosinus