confuus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·fuus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verward’ voor het eerst aangetroffen in 1265 [1]
  • uit het Frans [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen confuus confuser confuust
verbogen confuse confusere confuuste
partitief confuus confusers -

Bijvoeglijk naamwoord

confuus [3]

  1. verward
    • Wat WADA in de e-mail over een amnestieregeling aan de sportbonden in wezen zegt: wij weten niet hoe lang meldonium nog traceerbaar is, want daarvoor ontbreekt het wetenschappelijk bewijs, en we laten aan u over sporters die voor 1 maart ‘gepakt’ zijn wel of niet te bestraffen. Nou, dan weet je het wel, zegt Olfers. „Bonden zullen daar ruimhartig mee omgaan. Ook de nationale dopingautoriteiten lijken confuus. Niemand weet precies hoe er nu gehandeld moet worden.”[4] 
  2. verlegen
    • ‘Diana, can you help me?’ Een duidelijke hulpvraag, mijn Florence Nightingale-hart sprong op. Of ik even in zijn oogkas wilde loeren. Ik boog me over hem. Voorzichtig legde ik mijn handen op zijn hoofd en wang, en trok ik zijn ooglid omhoog. Zo dicht bij een collega was ik niet eerder geweest. Onze neuzen raakten elkaar bijkans, ik voelde zijn adem langs mijn wang strijken. ‘Don’t be afraid’, zei hij bemoedigend. Ik raakte confuus, maar hij bedoelde enkel dat ik niet bang hoefde te zijn hem pijn te doen. Hoe ik ook gluurde, en hoe hij ook rolde met zijn oog: ik kon niets ongewoons ontdekken. Een dag later werd in het ziekenhuis door een echte verpleegster een staalsplinter verwijderd. Tot een romance is het nooit gekomen.[5]  
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen