beschaamd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
We zijn geschokt. We zijn beschaamd. We rouwen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·schaamd
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van beschamen: de stam met de uitgang -d, zonder ge- vanwege voorvoegsel [1]

Werkwoord

vervoeging van: beschamen…
verbogen vorm: beschaamde

beschaamd

  1. voltooid deelwoord van beschamen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen beschaamd beschaamder beschaamdst
verbogen beschaamde beschaamdere beschaamdste
partitief beschaamds beschaamders -

Bijvoeglijk naamwoord

beschaamd

  1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen, verlegen
    • De beschaamde ouders wilden niet onderkennen dat hun jonge dochter zwanger was. 


Bijwoord

beschaamd

  1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen, verlegen
     Ze keek beschaamd voor zich uit toen een passerende verpleger zijn hoofd haar kant op draaide.[2]
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. beschaamd op website: Etymologiebank.nl
  2. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be