beschaamd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
We zijn geschokt. We zijn beschaamd. We rouwen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·schaamd
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van beschamen: de stam met de uitgang -d, zonder ge- vanwege voorvoegsel [1]

Werkwoord

vervoeging van: beschamen
verbogen vorm: beschaamde

beschaamd

  1. voltooid deelwoord van beschamen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen beschaamd beschaamder beschaamdst
verbogen beschaamde beschaamdere beschaamdste
partitief beschaamds beschaamders -

Bijvoeglijk naamwoord

beschaamd

  1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen, verlegen
    • De beschaamde ouders wilden niet onderkennen dat hun jonge dochter zwanger was. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen