buigzaamheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buig·zaam·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buigzaamheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

buigzaamheid v [1]

  1. het vermogen om te kunnen buigen
     Experts verklaarden dat vrouwen die gedurende langere periodes hoge hakken dragen te maken kunnen krijgen met 'verminderde balans, verminderde buigzaamheid van de enkels en verminderde spierkracht in het onderbeen'.[2]
  2. (figuurlijk) het zich kunnen aanpassen
     De woorden van Rutte over het Verdrag van Rome contrasteerden niet alleen met de inhoud van het document, ze druisen ook in tegen zijn politieke handelingen. Dat Rutte een flexibele relatie onderhoudt met de liberale beginselen van de partij was al langer bekend, maar de rigide Zijlstra toonde donderdag aan over dezelfde buigzaamheid te beschikken als het gaat om Europese visioenen.[3]
     De verplichte oefening aan de politieke rekstok zal de PvdA hebben overtuigd van de vereiste buigzaamheid van de kandidaat, maar bij veel andere fracties heeft Res met zijn knieval juist veel krediet verspeeld. Een rondgang leert dat hij dinsdag kan rekenen op hooguit zes van de dertien stemmen, onvoldoende om de bestuurszetel te veroveren.[4]
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron “Britse politici vragen zich af of vrouwen hakken moeten dragen” (07-03-2017), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron “Zijlstra & Rutte en de schizofrene Europese relatie van de VVD” (18/11/2017), HP de Tijd
  4. Bronlink Weblink bron Patrick Meershoek “Opvolging dagelijks bestuurder Zuidoost is lastige zaak” (21 maart 2016), Het Parool