blinde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blin·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord blinde blinden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

blinde v / m

  1. iemand die niet kan zien
    De blinde had een blindengeleidehond nodig om naar zijn werk te kunnen gaan.
  2. vensterluik, blind
    Voor de nacht moesten we eerste de blinden sluiten.
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

blinde

  1. verbogen vorm van de stellende trap van blind

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
blindar

blinde

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van blindar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van blindar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van blindar