bewondering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·won·de·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bewondering -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bewondering v

  1. het bekijken met enig ontzag
    • Ik heb erg veel bewondering voor hem. 
    • Er klonken kreten van bewondering uit de menigte. [1] 
    • Volgens de Twentse pastoor onderscheidt de christelijke gemeenschap op Sri Lanka zich door hun sterk verzoenende houding jegens andere religies. „Ze vormen slechts een kleine minderheid, - zo’n zeven procent van de bevolking- maar zijn zeer verdraagzaam. Zo heb ik het meegemaakt dat tijdens een misviering de buren van het boeddhistische gebedshuis opzettelijk lawaai begonnen te maken om het geluid van biddende christenen te overstemmen. Ik heb bewondering voor hun lankmoedigheid.” [2] 
  2. bekijken met enig genoegen
    • De man glimlachte van bewondering naar het rapport van zijn zoon. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 96
  2. Tubantia Herman Haverkate 21-04-19 Twentse pastoor Marc Oortman leeft mee met zijn vrienden op Sri Lanka