bewaker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wa·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bewaker bewakers
verkleinwoord bewakertje bewakertjes

Zelfstandig naamwoord

bewaker m

  1. (beroep) een persoon die toezicht houdt op de veiligheid van iets of iemand
    • De bewaker liet ons niet door de poort gaan. 
  2. (beroep) een persoon die ervoor zorgt dat gevangenen niet ontsnappen, cipier, gevangenbewaarder
    • De bewaker was de mannen aan het tellen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie