bewaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wa·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van waken met het voorvoegsel be-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bewaken
bewaakte
bewaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

bewaken

  1. overgankelijk toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
    • De president wordt 24/7 bewaakt. 
  2. overgankelijk ervoor zorgen dat iemand niet ontsnapt
    • De gevangenen worden constant bewaakt. 
  3. overgankelijk iets in het oog houden
    • Hij moest het budget van de bewaken bewaken. 
    • De zieke werd 24/7 bewaakt op de IC. 
  4. (sport)zorgen dat een aanvaller niet kan scoren
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.