argumenteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·gu·men·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
argumenteren
argumenteerde
geargumenteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

argumenteren

  1. inergatief met argumenten tot een conclusie trachten te komen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Wiktionnaire