bent

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bent
vervoeging van
zijn

Werkwoord

bent

  1. tweede persoon enkelvoud van zijn
    • Jij bent een kanjer! 
    • Bent u meneer Jansen? 
  2. (verouderd) tweede persoon meervoud van zijn
    • Jullie bent te groot voor iets kinderachtigs.[1] 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. p.74 Bint
    Bordewijk 1934


Engels

Werkwoord

bent

  1. verleden tijd van bend.