bent

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bent
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bent benten
verkleinwoord bentje bentjes

Zelfstandig naamwoord

bent m

  1. (zeldzaam) groep
    • Een kleine bent van Indonesische Nederlanders maakt zich nu sterk voor de erkenning van het koloniaal geweld tegen de Indische bevolking tijdens de strijd om de Indonesische onafhankelijkheid. [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord bent -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bent o

  1. (plantkunde) pijpenstrootje, naam van grassoort Molinia caerulea op Wikispecies
Afgeleide begrippen
vervoeging van
zijn

Werkwoord

bent

  1. tweede persoon enkelvoud van zijn
    • Jij bent een kanjer! 
    • Bent u meneer Jansen? 
  2. (verouderd) tweede persoon meervoud van zijn
    • Jullie bent te groot voor iets kinderachtigs.[5] 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Werkwoord

bent

  1. verleden tijd van bend.