beknorren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·knor·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van knorren (misnoegen, ontevredenheid uiten op boze wijze) met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beknorren
beknorde
beknord
zwak -d volledig

Werkwoord

beknorren

  1. overgankelijk iemand een standje geven
    • Sommige mensen denken dat je anderen moet beknorren omdat ze anders een loopje met je gaan nemen. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders
60 % van de Vlamingen.